Fotografie Santiago De Flô

Studio Updates —

Studio updates.

Manueel fotograferen

YES! Je hebt je een nieuwe camera aangeschaft. Een spiegelreflex van merk X met een knappe lens erbij! Foto’s maken! Je haalt hem uit de verpakking om zo snel mogelijk aan de slag te gaan en terwijl je door de zoeker kijkt en de ontspanknop induwt hoor je de allereerste klik. Wauw! De eerste foto. Vol verwachting kijk je naar het schermpje en….: zwart. Pikdonker scherm. Je kijkt nog eens goed op het toestel en ziet dat de camera op manuele modus staat. Lap, daar ken ik niets van.
Geen probleem. Hieronder vind je de hele uitleg hoe je je toestel aan de praat krijgt in manuele modus. Er zal veel oefening voor nodig zijn en veel concentratie, maar laat dat net het mooie van fotografie zijn. Oefening baart kunst!

Inleiding

Een goede foto heeft een stevige basis nodig. En hoewel een knap landschap, professioneel model of een mooie zonsondergang een goede basis zouden kunnen zijn, is er toch nog 1 vereiste die elke foto moet hebben.
Licht.
Zonder licht, geen foto. Het doel van je foto is dus om de perfecte hoeveelheid licht op je sensor te krijgen. Daar heeft je camera een aantal mogelijkheden voor, waarvan jij moet beslissen welke combinatie het best gaat scoren. De 3 aspecten zijn: diafragma, sluitertijd en ISO. Elke waarde van elk aspect wordt aangeduid op een specifieke manier. Als de waarde verdubbelt of halveert, verdubbelt of halveert ook de hoeveel licht dat wordt geregistreerd.


Diafragma

Het eerste aspect is het diafragma (Aperture in het Engels). Het diafragma is een schijf die in elke lens zit en die een moduleerbare opening in het midden heeft. Je camera kan de schijf vragen om bijna helemaal dicht te gaan, of bijna helemaal open.

Diafragma opening

Als de opening op zijn grootst is kan er veel licht binnen, als de opening helemaal dicht is weinig licht. De grootte van de opening wordt omschreven als de “f-stop”. Hoe lager de f-stop, hoe groter de opening in het diafragma. Een waarde zoals f1.4 zal dus véél meer licht binnen laten dan f11.

Een specifieke eigenschap van de f-stop is dat de waarde de hoeveelheid scherptediepte in een foto bepaalt. Hoe lager de f-stop, hoe meer licht er binnen kan maar hoe minder scherpte er zal zijn voor én achter je onderwerp. Op de foto kan je een portret zien als voorbeeld daarvan.

Op deze foto kan je een portret van Charis zien met een lage f-stop. Het topje van haar neus en haar oorringen zijn zeer onscherp, terwijl haar ogen wél de scherpte behouden.  Hasselblad - Tri-X 400 - 70mm

Op deze foto kan je een portret van Charis zien met een lage f-stop. Het topje van haar neus en haar oorringen zijn zeer onscherp, terwijl haar ogen wél de scherpte behouden.
Hasselblad - Tri-X 400 - 70mm

Je moet dus goed weten welke diafragma opening je gaat gebruiken voor je foto. Bij landschappen is het veel interessanter om een hoge f-stop te gebruiken (en dus weinig licht maar veel scherptediepte hebt) omdat je zoveel mogelijk van het landschap scherp wil houden. Het nadeel kan dus zijn dat er te weinig licht binnenkomt omdat de diafragma opening helemaal dicht staat. Dit kan je oplossen door een statief te gebruiken en een langere sluitertijd (hier komen we later op terug) in te stellen.
Bij portretten daarentegen gebruik je liever een lagere f-stop, zodat je je onderwerp scherp kan afbeelden tegen een wazige achtergrond. Maar ook hier zit een gevaar in. Hoewel je je sluitertijd hoog kan houden en je dus geen statief nodig hebt, kan de minste beweging van zowel model als fotograaf de foto onscherp maken. Je scherptediepte bevindt zich namelijk in een horizontale lijn tussen jou, je model en zijn achtergrond. Als jij of je model dus achteruit of vooruit bewegen, kan je scherpte al weg zijn.

Dat was al veel informatie. We herhalen!
Je diafragmawaarde is een getal, aangeduid met een f.
Hoe lager die waarde, hoe meer licht maar hoe minder scherptediepte in je foto zit.
Hoe hoger die waarde, hoe minder licht maar hoe meer scherptediepte in je foto zit.
f1.4: veel licht, weinig scherptediepte
f22: weinig licht, veel scherptediepte


Sluitertijd

De sluitertijd beschrijft eigenlijk al in zijn naam wat hij doet. Het beschrijft de tijd dat je sluiter open staat. Maar wat is je sluiter precies? De sluiter zijn 2 kunststoffen plaatjes in je camera die je sensor, waar je beeld op geprojecteerd wordt, afsluit. Hij houdt de hele sensor weg van licht. Vanaf je een foto maakt zal de onderste sluiter naar beneden gaan (en dus je sensor belichten). Als de vooraf ingestelde tijd verstreken is zal de bovenste sluiter ook vertrekken (en de belichting stopzetten). Daarna komen ze samen naar boven zonder de sensor terug te belichten. De beschrijving van je sluitertijd is een tijdsaanduiding. Die aanduiding wordt uitgedrukt in volledige seconden (bv.: 2’), of korter dan een seconde (bv.: 1/200)

Wow. Moeilijke uitleg. Op het filmpje hierboven zou het misschien wat duidelijker moeten worden. Zoals je kan zien is de opening tussen de 2 sluiters soms heel klein. Dit komt omdat de sluitertijd kan oplopen tot 1/8000 van een seconde!

Ook hier gelden bepaalde regels met specifieke eigenschappen, zoals bij ons diafragma.
Hoe langer onze sluitertijd, hoe meer licht op de sensor geraakt, maar hoe meer kans je hebt op bewegingsonscherpte.
Hoe korter onze sluitertijd, hoe minder licht op de sensor geraakt, maar hoe minder kans je hebt op bewegingsonscherpte.

Bewegingsonscherpte? Wasda? Stel je voor: je bent in Spa op het formule-1 parcours. Hamilton snelt voorbij in zijn bolide tegen 300 km/uur. Je staat met je camera klaar, je drukt af, maar Lewis’ Mercedes is gewoon een grijze streep op je scherm. Hoewel het asfalt en de toeschouwers vlijmscherp zijn, was de racende auto veel te snel voor je lange sluitertijd. Die bewegende auto is bewegingsonscherpte. Maar ook het omgekeerde is mogelijk. Zoals in het voorbeeld kan je zien dat de auto (relatief) scherp is, maar het asfalt niet. Dit kan je bekomen door een panning te doen (maar meer hierover in een latere blogpost). De bewogen grond is ook een voorbeeld van bewegingsonscherpte.

Bewegingsonscherpte

Maar opgelet! De foto hierboven is een voorbeeld van gewenste bewegingsonscherpte. Als je sluitertijd te traag is, komt vaak ongewenste bewegingsonscherpte voor. Als je in een donkere omgeving je sluitertijd veel laat zakken en je geen stabiele hand hebt, heb je al snel volledig bewogen foto’s. En dat willen we altijd vermijden!

Onthoud daarom deze vuistregel om de sluitertijd te bepalen zonder het gebruik van een statief:
Bij een standaardlens: sluitertijd nooit trager dan 1/50ste van een seconde.
Bij een kleine telelens: sluitertijd nooit trager dan 1/200ste van een seconde.
Bij een grote telelens: sluitertijd nooit trager dan 1/400ste van een seconde.
Waarom de lenzen in acht nemen? Omdat een grotere lens meer weegt, minder stabiel in de hand ligt en dus sneller voor bewogen beelden zal zorgen.

Indien de situatie het toelaat is het gebruik van een statief aan te raden bij sluitertijden trager dan hierboven aangegeven. Wil je bijvoorbeeld een landschap fotograferen en heb je door je diafragma een sluitertijd nodig van 20 seconden, dan kan je de foto heel gemakkelijk maken als je camera op je statief staat. Hij zal vlijmscherp zijn. Uit de losse pols kan je nooit zulke tijden gebruiken omdat niemand zo stabiele handen heeft.

Herhaling!
Je sluitertijd is een waarde, aangeduid met een tijdsindicatie. Deze kan lopen van ettelijke seconden tot soms duizendsten van seconden.
Hoe trager je sluitertijd, hoe meer licht je binnenkrijgt, maar hoe meer kans op beweginsonscherpte
Hoe sneller je sluitertijd, hoe minder licht je binnenkrijgt, maar hoe minder kans op bewegingsonscherpte.
1’ (1 seconde): Veel licht, veel bewegingsonscherpte
1/1000 (van een seconde): Weinig licht, weinig bewegingsonscherpte


ISO

De laatste manier om je foto te belichten. Maar deze is een specialleke. Je ISO waarde geeft aan hoe gevoelig je sensor is voor licht. Dit stamt nog uit de tijd van de analoge fotografie. De filmpjes die je kocht in de winkel hadden een bepaalde gevoeligheid voor licht. Sommige waren heel gevoelig en hadden dus een opvallend minder hoge hoeveelheid licht nodig om een beeld te kunnen vormen. Maar ook minder gevoelige filmpjes waren te koop. Bij deze filmpjes moest je veel meer belichten om tot hetzelfde beeld te komen.

Met de komst van de digitale fotografie was er dus een groot probleem opgelost. Eens je filmpje in je camera zat, moest je alle foto’s op dezelfde gevoeligheid (ASA) maken, terwijl je de gevoeligheid van de sensor nu (ISO) op elk moment kan aanpassen.

De ISO waarde wordt uitgedrukt in getallen.
Hierbij geldt de regel enerzijds: hoe lager het getal, hoe minder gevoelig de sensor is en hoe meer licht er nodig is om tot een foto te komen. Anderzijds: hoe hoger het getal, hoe gevoeliger de sensor is en hoe minder licht er nodig is om tot een foto te komen.

De laagste of standaardwaarde op de meeste toestellen is ISO 100. Als je de ISO wil verhogen, verdubbel je elke keer je waarde. De volgorde gaat dus als volgt: 100, 200, 400, 800, 1600, … De hoogste ISO waarde hangt af van de kwaliteit van je sensor. Hoe beter (en duurder) je sensor is, hoe hoger je je ISO kan instellen.

Maar ook de ISO heeft speciale eigenschappen waar je voor moet opletten. Hoe hoger je je ISO instelt, hoe meer ruis in je foto insluipt. Dit kan enerzijds een gewenst effect zijn (ik hou van de klassieke look die ruis geeft, zoals bij mijn shoot bij Jana.), maar kan anderzijds ook zeer storend zijn als je een perfect egale foto wil. Over het algemeen wordt er vanuit gegaan dat je je ISO als laatste hulpmiddel gebruikt als je diafragma en sluitertijd je niet kunnen helpen tot een perfect belichte foto te raken. Op de foto hieronder kan je in de effen vlakken de ruis zien doorkomen.

Ruis

En we herhalen nog 1 keer!
De ISO is een waarde aangeduid met een getal.
Hoe lager het getal, hoe minder gevoeliger de sensor is, hoe meer licht er nodig is en hoe minder ruis er in de foto zit.
Hoe hoger het getal, hoe gevoeliger de sensor is, hoe minder licht er nodig is en hoe meer ruis er in de foto zit.
ISO 100: Niet gevoelig, geen ruis, veel licht nodig.
ISO 1600: Gevoelig, meer ruis, minder licht nodig.


Allright! Als je al tot hier geraakt bent: proficiat! Het was een hele boterham tot nu toe, maar we zijn aan ons laatste onderdeel toegekomen. We gaan deze 3 onderdelen combineren.

Als hulpmiddel voor het perfecte licht te vinden kunnen we de ingebouwde lichtmeter gebruiken. De lichtmeter vind je ofwel onderaan je beeld als je door je zoeker kijkt, ofwel in het infopaneel op het scherm aan de achterkant van je camera. Deze kan er zo uitzien:

lichtmeter.jpg

Staan er streepjes aan de rechterkant van het 0-punt, dan staan je instelingen te donker. Staan er streepjes aan de linkerkant van het 0-punt, dan staan je instellingen te licht. Je zal dus aanpassingen moeten doen. Op de lichtmeter zie je ook aanduidingen boven de grafiek staan. Kleine puntjes gevolgd door een groot. Dit is het aantal stops dat je instelling te licht of te donker staat. Elk groot puntje stelt 1 stop voor. Door bijvoorbeeld je ISO van 200 naar 100 terug te brengen, kan je het beeld een volledige stop donkerder maken.

Een voorbeeld:
Je maakt een foto met instellingen:
1/400, f5.6, ISO 200.
De lichtmeter geeft 1 stop overbelichting aan. Welke mogelijkheden heb je dan?
- 1/800, f5.6, ISO 200
- 1/400, f8, ISO 200
- 1/400, f5.6, ISO 100
In alle drie de gevallen zal er 1 stop minder licht zijn. De keuze is natuurlijk aan jou om te beslissen welke optie je zal nemen. In het begin vergt dit veel oefening en concentratie, maar naarmate je je toestel en de lichtintensiteit beter leert kennen, zal je snel merken dat dit vlotter gaat.

Een oefening om je te helpen.

Probeer elke dag 2 keer (op een verschillend moment van de dag) een foto te maken van hetzelfde onderwerp. Let wel op: het gaat gemakkelijker als dit onderwerp in de buitenlucht staat.
Een boom, een elektriciteitskast, een parasol, …
Probeer zonder naar je lichtmeter te kijken een instelling te beslissen op basis van het aanwezige licht van zowel diafragma, sluitertijd en ISO. Bekijk je foto en pas aan waar nodig. Is je foto te donker, maak dan veranderingen op basis van de foto die je ziet. Je zal merken dat je heel snel licht zal herkennen en daarmee je instellingen correcter kan inschatten. Veel succes!

Schrijf je ook in op onze nieuwsbrief om altijd op de hoogte te worden gehouden bij nieuwe blogs! Klik hier!

TipsSantiago De FlôTips